Zoek de vout

Verschenen in Over Taal, juli 2013

Taalvoutjes zijn leuk. Dat blijkt, want ze hebben al bijna 150.000 likes verzameld op Facebook. En de teller loopt. Maar taalfoutjes spotten is niets nieuws.

We sturen onze mooiste vondsten al jaren naar Onze Taals Ruggespraak en plaatsen foto’s van samengestelde woorden met spaties ertussen op het platform Signalering Onjuist Spatiegebruik. Waarom is dit toch zo’n populaire hobby? De meeste mensen vinden het simpelweg belangrijk om goed te zijn in taal. En diezelfde mensen vinden het nog belangrijker om aan anderen te laten zien hoe goed ze zijn in taal. Door anderen veelvuldig te corrigeren bijvoorbeeld. Of door plaatjes van grappige missers op te sturen naar de dames van Taalvoutjes. Want kiezen zij jouw voutje uit, dan wordt je naam genoemd en ben je in een klap beroemd. ‘Kijk eens, mijn taalvoutje staat op Facebook!’, kun je dan zeggen. En daar ben je dan misschien (stiekem) best een beetje trots op.

Het is verbazingwekkend hoe trots mensen reageren als ze een taalfoutje hebben ontdekt. ‘Kijk, een d/t-fout! Ha, die heb ik toch maar mooi gezien!’. Alsof diegene hoopt dat jij dan zegt: ‘Wat goed van je! Ik had er overheen gelezen.’

Ik zeg dat soort dingen niet. Want ik hanteer een andere definitie van ‘goed zijn in taal’. Zo denk ik dat iemand die veel taalfouten maakt, alsnog heel goed kan zijn in taal. Ook denk ik dat er mensen zijn die Het Groot Dictee elk jaar foutloos maken, maar tegelijkertijd veel moeite hebben om hun gedachten op een heldere manier te verwoorden. Die mensen zijn dan weliswaar goed in spelling, maar dus niet per se in taal.

Toegegeven, sommige taalfouten zijn ontzettend grappig. De foutief beknopte bijzin bijvoorbeeld, daar kan ik smakelijk om lachen. Na urenlang in de oven gestaan te hebben, at de man de lasagne, is er zo een. Bijgaand stuur ik u mijn scriptie ook. Hartstikke fout, volgens de huidige grammaticale regels. Toch tikken zelfs fervente voorstanders van correct taalgebruik dit zinnetje regelmatig op. En daar kan ik prima mee leven. De regels passen zich op den duur vanzelf aan.

Maar die mening deelt zeker niet iedereen. Sterker, taalfouten zijn behalve grappig ook een grote bron van ergernis. Als je mensen hun gang laat gaan, dan is er binnen de kortste keren niets meer over van onze taal, is de gedachte. Taalverloedering heet dit dramatische verschijnsel. Een mooi woord is dat. Het impliceert dat er een moment is geweest waarop de Nederlandse taal in perfecte staat verkeerde, zonder d/t-fouten, overtollige spaties en dat soort ongein. Sommige mensen zijn zelfs van mening dat leenwoorden bijdragen aan de verloedering. Maar is de Nederlandse taal dan ooit vrij van leenwoorden geweest? Of is de verloedering direct in gang gezet vanaf het moment dat het eerste Nederlandse woord werd uitgesproken? Hoe dan ook zijn het donkere gedachten over de levenslustige taal die we al duizenden jaren met succes gebruiken om met elkaar te communiceren.

‘Maar er zijn grenzen’, brengen sommige taalpuristen hier graag tegenin. Dat taal verandert weten ze wel, en dat willen ze zelfs best nog accepteren. Maar sommige fouten kunnen écht niet door de beugel, vinden zij. Hun als onderwerp: uit den boze! En de opkomende (spreektaal)trend om werkwoorden niet langer te laten congrueren, stuit eveneens op veel verzet: ik ben, jij ben, hij/zij ben en u ben. Grappig is dat we dit verschijnsel bij het werkwoord kunnen wel weer vinden kunnen: ik kan, jij kan, hij/zij kan en u kan. Goed, het is wat informeler, maar niemand zal de zin jij kan de boom in als taalvoutje insturen.

Dus waar ligt de grens? Gelukkig bieden grammaticaregels enig houvast – hoewel ze continu aan veranderingen onderhevig zijn. En Het Groene Boekje en Het Witte Boekje bestaan al jaren naast elkaar én worden elke tien jaar herzien, dus ook de spellingregels zijn rekbaarder dan sommige mensen misschien zouden willen. Maar als je al die boekjes goed bestudeert, kun je in de boze buitenwereld een heleboel taalvoutjes ontdekken. En daar mag je dan stiekem best een beetje trots op zijn.