Dankzij boventiteling de wereld veroveren

Verschenen in Het Parool, PS Kunst, 9 november 2011

Toneelgroep Amsterdam speelt zeker 75 voorstellingen per jaar in het buitenland. Die kunnen Japanners, Russen en Fransen dankzij boventitelaar Erik Borgman toch goed volgen.

Hij noemt zichzelf knopjesdrukker, tekstontwerper, of – als hij indruk wil maken – titelregisseur. Eigenlijk is Erik Borgman boventitelaar, ‘maar dat beroep kennen de meeste mensen niet’. Borgman: “Ik bewerk de Nederlandse tekst van toneelstukken zo, dat de vertaling ervan straks op het scherm past dat boven de hoofden van de acteurs op het toneel hangt.”

Dat doet Borgman zo: hij ontvangt een dvd van een toneelstuk, of woont een repetitie bij. Terwijl hij de voorstelling bekijkt, noteert hij in het script welke onderdelen van de tekst moeten blijven staan en wat hij best kan weglaten. Want lang niet alle tekst past op zo’n scherm. Borgman: “Neem de stukken die Ivo van Hove regisseert. Die bevatten zoveel dialoog, dat kun je als lezer niet bijhouden. Daar moet ik dus best veel in bewerken en schrappen.”

De ingekorte tekst gaat dan naar een vertaler in Engeland, Duitsland, Frankrijk, Italië, Polen, Rusland of Japan – de landen waar Toneelgroep Amsterdam tegenwoordig hoog aanzien heeft. En met zijn eigen volgeschreven regieboek reist Borgman met het gezelschap mee. Want tijdens de voorstelling moet hij van achter de schermen bij elke cue voor een nieuwe boventitel op een knopje drukken.

Borgman: “Dat klinkt misschien eenvoudig, maar de timing is cruciaal. Het publiek verstaat geen Nederlands, en wil toch begrijpen wat de acteur zegt. De tekst moet daarom goed aansluiten op de gebaren, stem en mimiek van de acteur. Doe je dat niet, dan is de toeschouwer vooral bezig met de vertaling, niet met de voorstelling. Ook voor een acteur is die timing van de vertaling belangrijk; als hij het gevoel heeft dat hij voor publiek speelt dat hem begrijpt of lacht waar dat ook in Nederland gebeurt, dan speelt hij beter.”

Internationaal succes

Uit het grote internationale succes blijkt dat Toneelgroep Amsterdam er goed in slaagt om Nederlandstalige voorstellingen neer te zetten die ook voor buitenlanders zonder problemen te volgen zijn. Wouter van Ransbeek, coördinator internationalisering van het gezelschap die alle buitenlandse voorstellingen plant: “Dat komt denk ik door de kwaliteit van de boventiteling én van de acteurs die het stuk uiteindelijk overbrengen.”

Maar het succes in het buitenland heeft Toneelgroep Amsterdam vooral te danken aan haar bewerkingen van toneelstukken en de radicaliteit van het spel, zegt hij. “De regisseurs en de acteurs breken met heersende tradities en experimenteren met de conventies van klassiek toneel. Dat gebeurt bijna nergens zo radicaal als in Nederland.”

Toch levert dit weinig weerstand op. Het opent eerder ogen, leest Van Ransbeek terug in de buitenlandse recensies. Veel landen blijven het gezelschap daarom trouw en willen meer. Van Ransbeek: “De New York Times riep ons onlangs uit tot een van de beste buitenlandse gezelschappen. Dat is wel iets om trots op te zijn.”

Verrassend

Binnenkort vertrekt Toneelgroep Amsterdam weer naar New York, voor het vijfde jaar op rij. Dit keer met Kreten en gefluister en volgend seizoen met de zes uur durende interactieve voorstelling Romeinse tragedies. In het Nederlands dus. En maar weinig mensen weten dat hiervoor tijdens de voorstellingen één man continue op scherp staat om de boventiteling te regelen.

Borgman: “Mensen denken vaak dat een computer die vertaling automatisch in beeld brengt. Dat is voor mij een groot compliment, want dan weet ik dat ze naar de voorstelling hebben gekeken. Dat de timing klopte.” Om die reden zou een computer Borgmans werk ook nooit kunnen overnemen: toneel blijft mensenwerk. De timing verschilt dus per voorstelling. Borgman: “En per personage of acteur. De een spreekt heel snel en de ander gebruikt meer tijd. Het script alleen biedt daarom niet genoeg houvast voor een geslaagde boventiteling. Goed luisteren wel.”

En hoewel het buitenlands publiek inmiddels wel gewend is aan boventiteld toneel, reageren mensen in Nederland daar juist vaak verrast op, zegt Van Ransbeek. “Men denkt toch dat zo’n voorstelling moeilijker te begrijpen is dan een in je eigen taal.” Maar voor de acteurs is het lastig om in een vreemde taal dezelfde emoties en nuances over te brengen als in hun moedertaal. Met boventiteling komt een voorstelling beter tot zijn recht.

Van Ransbeek: “We spelen wel eens in het Engels en Duits, als het theater daar om vraagt en de voorstelling het toelaat. Die talen zijn nog te doen. Maar in het Japans zou het moeilijk worden. En het is eigenlijk vreemd om te denken dat boventiteling een voorstelling lastig te volgen maakt. Bij films vinden we ondertiteling heel normaal.”

Onzichtbaar

Maar een toneel is groter dan het gemiddelde televisiescherm. Vandaar dat ook de plaats van de boventiteling in het stuk een belangrijke rol speelt: het publiek moet tijdens het lezen kunnen zien wat er op het toneel gebeurt. Daarom hangt de vertaling bij Toneelgroep Amsterdam altijd vlak boven het hoofd van de acteurs, iets wat je niet vaak tegenkomt. Borgman: “Sommige regisseurs hechten zoveel waarde aan hun decor, dat ze de boventiteling zo ver mogelijk weg willen hangen omdat het zou storen. Toch is het omgekeerde waar. Als je de tekst één laat worden met het decor, leidt die het minst af.”

Maar om de boventiteling te laten samensmelten met het decor, moet je wel een beetje creatief zijn. Zoals bij Opening Night, waar het publiek ook op het podium zit, worden delen van de voorstelling geprojecteerd op schermen. Dan verschijnt de boventiteling op acht verschillende plaatsen in het decor. Bij Romeinse tragedies in Avignon werd de boventiteling op maar liefst zesentwintig schermen getoond.

Soms hangt de plaats van de boventiteling ook af van het land waar het gezelschap te gast is. Borgman: “In Japan zetten we verticale lichtkranten naast de acteurs. Daar lezen ze namelijk van boven naar beneden.”

Cultuurverschillen

Niet alleen de plaats van de boventiteling, maar ook de vertaling zelf vereist door cultuurverschillen de nodige aanpassingen. Zo vroeg Japan een serie voorstellingen aan van Het temmen van de feeks, waarin regisseur Ivo van Hove uithaalt naar de Nederlandse feestcultuur door de personages neer te zetten als een stel lallende corpsballen. Borgman: “Die zingen er lustig op los: ‘als het gras twee kontjes hoog is…’. Dat is natuurlijk niet te vertalen. De oplossing is dan om tegen de Japanse vertaler te zeggen: ‘Ze zingen schunnige studentikoze liederen’ om vervolgens de tekst van een Japans nummer in hetzelfde genre op het scherm af te beelden.”

Maar die cultuurverschillen maken spelen in het buitenland vooral interessant. Van Ransbeek: “Ik dacht eerst, hoe is het mogelijk dat Japan geïnteresseerd is in deze typisch Nederlandse voorstelling? Maar de Japanse omgang met seksualiteit en verlangens is vergelijkbaar met onze ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’. Hun dagelijks leven is zo sterk genormeerd dat hun verborgen gevoelens een uitlaatklep zoeken, bijvoorbeeld in hun comics en films. Daar kan en mag alles. Net als bij ons op Koninginnedag.”

En de voorstelling slaat aan in Japan, al moest Toneelgroep Amsterdam dat vooral leren uit verhalen van de theaterdirecteuren en vertalingen van recensies. Want het Japanse publiek geeft tijdens de voorstelling geen kik en het applaus is ook minimaal. Van Ransbeek: “Als Europeaan denk je dan al snel dat er iets mis is. Het is dus heel leerzaam, ook voor de acteurs, dat zoiets geen reden is om zenuwachtig te worden op het toneel. Niet dat we overal staande ovaties verwachten, want die krijgen we in Nederland. Er is geen ander land ter wereld waar men zo vaak en enthousiast staand applaudisseert.”

Thuis

Maar het Nederlands publiek hoeft niet bang te zijn dat Toneelgroep Amsterdam die staande ovaties beu is en straks alleen nog maar in het buitenland speelt. Van Ransbeek: “De internationale samenwerking zorgt er juist voor dat we kunnen groeien als gezelschap, ook in Nederland.” Ook is er een financiële reden om het buitenland op te zoeken. Naast een uitkoopsom betalen ze de vliegtickets van de acteurs en de crew, de hotelovernachtingen en het transport van het decor, dat soms maanden onderweg is. In Nederland zijn die kosten voor eigen rekening van het gezelschap.

Toch plukt Toneelgroep Amsterdam ook hier de vruchten van de internationalisering. Van Ransbeek: “In Amsterdam wonen veel buitenlanders voor wie het culturele aanbod nog altijd minimaal is. Daarom worden alle voorstellingen van Toneelgroep Amsterdam op donderdag in de Stadsschouwburg in het Engels boventiteld.”

Daarbij is de grens van wat Toneelgroep Amsterdam aan internationale voorstellingen aankan wel zo’n beetje bereikt. Want met slechts 20 acteurs kun je nu eenmaal niet overal tegelijk zijn. Van Ransbeek: “En hoe interessant het buitenland ook is, Amsterdam is onze thuisbasis.”

www.tga.nl