Frans van Eemeren: Professor Pragma-Dialectiek

Verschenen in Over Taal, september 2011

Een argumentatietheorie bedenk je niet één-twee-drie. Em. prof. dr. Frans van Eemeren was er dan ook zo’n 35 jaar mee zoet. Ruim 60 boeken en 450 publicaties later mocht hij per 1 april met emeritaat. Al betekende dat nog lang geen afscheid. ‘Mijn agenda voor dit jaar was meteen weer vol.’

 

Waarmee precies?
Er schuilt wel een kleine opportunist in mij. Ik realiseer me dat ik nu de keuze heb om alleen nog maar dingen te doen die ik leuk vind, of in ieder geval de moeite waard. Ik heb nog allerlei plannen. Er is een aantal publicaties en onderzoeksprojecten dat moet worden afgerond en ik geef veel key note-speeches in het buitenland. Maar tegen de vervelendere dingen als administratie en vergaderingen, kan ik nu ‘nee’ zeggen. Dat is de prettige kant van een emeritaat.

En de minder prettige kant?
Om te zien dat je de 65 nadert terwijl je eigenlijk net zo lekker bezig bent. Aan de andere kant is het ook goed dat iemand anders na al die jaren de leiding krijgt over de leerstoelgroep. Gelukkig hebben we heel geschikte en gemotiveerde stafleden; ik heb er alle vertrouwen in dat de onderzoeksprojecten bij hen in goede handen zijn.   

Hebt u er moeite mee gehad om het allemaal uit handen te geven?
Jazeker. Maar ik denk dat het belangrijk is om dat wel te doen. Sinds 1 april zit ik ook niet meer op de faculteit. Ik wilde degenen die het overnemen een eerlijke kans geven. Zij mogen niet het gevoel hebben dat ik ze op de vingers kijk.

In één zin: wat is pragma-dialectiek?
Dialectiek is dat je argumentatie in een context plaatst van een kritische discussie met anderen, met mensen die het er niet mee eens kunnen zijn. En pragmatiek wil zeggen dat je het hebt over argumentatie in heel gewone taal, waarin dingen impliciet of ambigue kunnen zijn en waarbij je soms de context nodig hebt om alles volledig te begrijpen.

Dat kan ook bijna niet in één zin. Maar die kritische discussie, hoe moeten we dat zien?
We werken met een zogeheten ideaalmodel voor een kritische discussie. Discussie in de breedste zin van het woord; het kan ook om een schriftelijk betoog gaan waarbij de lezer een potentiële tegenstander is van het standpunt. Met het ideaalmodel kun je argumentatie reconstrueren en toetsen. We hebben een aantal discussieregels geformuleerd en als je in de reconstructie ziet dat die worden overtreden, dan is er theoretisch gezien sprake van een drogreden, omdat de discussiezet niet bijdraagt aan de oplossing van het verschil van mening.

Dat ideaalmodel vertelt ons dus hoe we moeten argumenteren?
Ik ben blij dat je dat vraagt. Want nee, het is een middel om iets zinnigs over argumentatie te kunnen zeggen. Het model dient als basis en is gebaseerd op normen waar argumentatie aan moet voldoen om redelijk te zijn.

Eigenlijk willen jullie er gewoon mee laten zien hoe mensen argumenteren?
En dat op een systematische manier. Mensen discussiëren natuurlijk niet volgens een ideaalmodel. Rob Grootendorst – met wie ik de pragma-dialectiek heb ontwikkeld –

en ik hebben daarom altijd al geprobeerd de stap te zetten van abstracte modellen naar de argumentatieve realiteit. Als je kijkt naar wat we allemaal hebben gedaan, dan zie je dat het filosoferen over redelijkheid en het ideaalmodel slechts het begin was. Daarna zijn we dat model gaan testen, om te kijken of het wel alle drogredenen dekte. Dat was al een stap dichter naar de realiteit, maar nog niet helemaal. Er moest empirisch onderzoek komen, om te kijken in hoeverre de normen die gewone taalgebruikers voor het argumenteren aanleggen in overeenstemming met ons redelijkheidsideaal. Uit die onderzoeken blijkt dat dat in sterke mate zo is.

En toen waren jullie klaar?
Zeker niet. Er was altijd iets wat ontbrak – maar je kunt nu eenmaal niet alles tegelijk uitzoeken – namelijk dat mensen helemaal niet alleen maar redelijk proberen te zijn, of in ieder geval de indruk willen wekken dat ze dat zijn; ze willen ook overtuigen. Daarom hebben we een retorische dimensie aan de theorie toegevoegd die laat zien hoe mensen binnen de bestaande redelijkheidsnormen manoeuvreren om effectief te kunnen zijn. Dat concept hebben Peter Houtlosser – met wie ik dit onderzoeksproject destijds gestart ben – en ik toen strategisch manoeuvreren genoemd.

Maar kan dat wel, retorische trucjes uithalen en toch redelijk blijven?
Ja hoor. Er wordt wel vaker gedacht dat dialectica en retorica elkaar bijten. Maar eigenlijk zie je al bij Aristoteles terug dat het een het ander niet uit hoeft te sluiten. Je kunt beide gebieden natuurlijk zo definiëren dat ze onverenigbaar zijn. Maar waarom zou je dat willen, dachten Peter en ik. De retorica heeft zinnige dingen te zeggen over effectiviteit in reële contexten en dialectica over redelijkheid in de zin van algemene regels. Die twee dingen kun je toch best bij elkaar brengen? En als je zo eens om je heen kijkt – daar heb ik verder geen empirische evidentie voor hoor – dan zie je dat mensen best voor rede vatbaar zijn, maar soms raken ze opgewonden of er is een groot belang mee gemoeid en dan gaan ze andere dingen doen om de zaken naar hun hand te zetten. Je ziet in de praktijk dat het streven naar effectiviteit en het handhaven van de redelijkheid steeds beide vertegenwoordigd zijn. Maar goed, er is natuurlijk wel een potentiële spanning. Vandaar ook de term strategisch manoeuvreren.

Hoe doe je dat, strategisch manoeuvreren?
Dat hangt af van de situatie. Het idee is dat men in elke argumentatieve situatie de keuze heeft uit een aantal mogelijke zetten om de andere partij te overtuigen. De gedachte is dan dat men de zet zal proberen te kiezen die het meeste effect sorteert, binnen de grenzen van de redelijkheid. Dat is dan zogezegd een geslaagde strategische manoeuvre. Wordt de redelijkheidgrens overschreden, dan ontspoort de manoeuvre en spreken we dus van een drogreden.

Hoe staat het onderzoek ervoor?
Daar zitten we middenin. Je kunt met strategisch manoeuvreren namelijk ook meer zeggen over de communicatieve context of het communicatieve domein waarbinnen mensen argumenteren. En daar heb je er oneindig veel van: het interpersoonlijke, maar ook het juridische en politieke domein, en ga zo maar door. Dat maakt het juist zo interessant, want die domeinen zijn allemaal op een bepaalde manier geïnstitutionaliseerd. Daardoor kunnen de grenzen van redelijkheid tussen die domeinen verschillen.

Kunt u een voorbeeld geven?
In de strafrechtspraak mag in Nederland geen gebruik worden gemaakt van argumentatie gebaseerd op een analogie, terwijl dat in een andere context geen probleem is – mits de vergelijking opgaat natuurlijk. Binnen alle domeinen geldt in ieder geval een soort intersubjectieve overeenstemming over wat wel en niet adequaat is. En we dachten, als je daar nu eens goed naar kijkt, en die domeinen goed probeert te beschrijven, dan kun je kijken op welke manier die van invloed zijn op hoe er geargumenteerd wordt en de evaluatie daarop afstemmen.

Een drogreden is dus niet altijd een drogreden…
Klopt. Neem een beroep op autoriteit: dat hoeft helemaal niet drogredelijk te zijn. Soms is autoriteit zelfs het enige waar je op af kunt gaan. Als een Spanjaard zegt: ‘Dit is een correcte Spaanse zin’, dan geloof je dat. Maar als jij mij citeert en je schrijft het omgekeerde op van wat ik gezegd heb, dan is dat natuurlijk fout. Maar de vraag is waar precies de grens ligt. Je kunt proberen daar algemene criteria voor op te stellen, maar het kan best zijn dat een bepaalde autoriteit in de rechtspraak wel geldig is, en in de wetenschap niet. Dus dan zit het drogredelijke ‘m niet zozeer in het beroep op autoriteit zelf, maar in de institutionele context waarbinnen dat beroep gedaan wordt. Om te bepalen of iets een drogreden is, heb je dus meer nodig dan algemene normen.

Is er een drogreden die uw nekharen overeind doen staan?
Nee. Waar ik me aan stoor is als iemand niet wil zien dat iets een drogreden is omdat de betreffende argumentatieve zet het verschil van mening niet oplost, maar deze zet om ethische of psychologische redenen toch verantwoord vindt. Het bekende voorbeeld is de tu quoque, waarbij een vader die kettingroker is tegen zijn dochter zegt: ‘Meisje, jij moet niet roken, dat is slecht voor je.’ Het antwoord is dan: ‘Maar je rookt zelf ook, pa.’ Natuurlijk denk je in eerste instantie: hoe kan iemand nu advies geven over niet-roken terwijl die zelf rookt. Maar als je goed nadenkt, dan moet je – en zeker als je student bent – ook begrijpen dat iemand die zelf rookt best gelijk kan hebben in het andere mensen afraden om te roken. Wat iemand zelf doet, is in de regel voor de houdbaarheid van het standpunt niet relevant.

Het is moeilijk voor te stellen, maar begaat u zelf wel eens een drogreden?
Ik denk dat niemand daar vrij van is. En dat is ook niet erg. Het zijn gewoon uitglijers in het overtuigingsproces. Ik denk alleen wel dat ik er alerter op ben dan veel anderen, want ik heb natuurlijk veel drogredentraining gehad. Maar, ja, de meeste drogredenen heb ik zelf ook wel op mijn repertoire.

 

Biografie

Frans H. van Eemeren (1946) is emeritus professor van de leerstoelgroep Taalbeheersing, Argumentatietheorie en Retorica aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met Rob Grootendorst (1944-2000) ontwikkelde hij de invloedrijke pragma-dialectische argumentatietheorie. Daarnaast is hij onder andere voorzitter van de International Society for the Study of Argumentation (ISSA) en hoofdredacteur van de gerenommeerde vaktijdschriften Argumentation en Journal of Argumentation in Context. Tweemaal ontving hij de Daniel Rohrer Award for excellent research en vorig jaar verleende de Universiteit van Lugano, Zwitserland, hem een eredoctoraat. De meest prestigieuze prijs die hij ontving, was de Amerikaanse Distinguished Scholar Award van de National Communication Association: nooit eerder werd deze aan een buitenlandse professor uitgereikt.

 

Gedragscode gebaseerd op het ideaalmodel van regels voor een kritische discussie

1. Vrijheidsregel

De discussianten mogen elkaar niet beletten standpunten of twijfel naar voren te brengen.

2. Verdedigingsplichtregel

Een discussiant die een standpunt naar voren brengt, mag niet weigeren dit standpunt desgevraagd te verdedigen.

3. Standpuntsregel

Een aanval op een standpunt mag geen betrekking hebben op een standpunt dat niet werkelijk door de andere partij naar voren is gebracht.

4. Relevantieregel

Een standpunt mag niet worden verdedigd door non-argumentatie naar voren te brengen of argumentatie die geen betrekking heeft op het standpunt.

5. Verzwegen-argumentregel

Iemand mag de tegenpartij niet ten onrechte verzwegen argumenten toeschrijven of zich aan de verantwoordelijkheid voor een van zijn eigen verzwegen argumenten onttrekken.

6. Uitgangspuntregel

Iemand mag niet ten onrechte iets als gemeenschappelijk uitgangspunt presenteren of ten onrechte ontkennen dat iets een gemeenschappelijk uitgangspunt is.

7. Geldigheidsregel

De redeneringen die in de argumentatie als formeel geldig worden voorgesteld mogen geen logische fouten bevatten.

8. Argumentatieschemaregel

Een niet door een formeel geldige redenering bewezen standpunt mag niet als afdoende verdedigd worden beschouwd als de verdediging niet plaatsvindt door middel van een geschikt argumentatieschema dat correct is toegepast.

9. Afsluitingsregel

Een niet-afdoende verdediging van een standpunt mag niet leiden tot het handhaven van dit standpunt door de protagonist en een afdoende verdediging van een standpunt mag niet leiden tot het handhaven van twijfel aan het standpunt door de antagonist.

10. Taalgebruikregel

De discussianten mogen geen formuleringen gebruiken die onvoldoende duidelijk of verwarrend dubbelzinnig zijn en ze mogen de formuleringen van de tegenpartij niet opzettelijk verkeerd interpreteren.