Tommy Wieringa over het Groot Dictee

Verschenen in Over Taal, januari 2011

Tommy Wieringa schreef de 21e editie van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal. En met slechts acht spelfouten in de oorspronkelijke tekst die hij hiervoor aanleverde, was hij zelf ook de winnaar geweest (de echte winnaar had er negen). Al was Wieringa’s eerste aanzet tot het dictee lang niet zo pittig als de uiteindelijke versie. ‘Ik had een mooi verhaal geschreven, maar dat werd te eenvoudig bevonden voor dit doel.’

 

Je hebt er toen een nog mooier verhaal van gemaakt?
Nee, het werd er alleen maar lelijker en onevenwichtiger van. Met een synoniemenwoordenboek ben ik gaan zoeken naar andere, moeilijkere woorden voor wat ik wilde vertellen. Woorden die ikzelf nooit zou gebruiken. Mijn vrouw had ook drie heel goede suggesties. En een goede vriend van mij, Carel Helder. Hij kwam met consciëntieus.

Hoe kwam Kakofonie tot stand?
Ik wilde niet een hoeveelheid lastige woorden produceren die in een halfgrappig verband werden opgediend. Met die traditie wilde ik breken. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om een politiek stuk te schrijven, een waarschuwing. Ik heb de taak van de schrijver serieus genomen, zo van: Wieringa waarschuwt de wereld nog één keer. Haha! En het verhaaltje heb ik opgeschreven tijdens een treinreis tussen Darmstadt en Amsterdam. Ik was er eigenlijk zo mee klaar.

Was je bij het schrijven aan bepaalde regels gebonden?
Ze vroegen om acht zinnen, van ongeveer dezelfde lengte. Die regel heb ik geschonden, want de laatste zin is erg kort. Verder was ik helemaal vrij, tot mijn grote verbazing. Een bedrieglijk soort vrijheid bleek later. Want toen ik de tekst eenmaal had opgestuurd, moest ik er toch van alles aan veranderen. Ie-de-reen bemoeide zich ermee, van taalcommissietjes tot de eindredacteuren van de Volkskrant en Philip Freriks. Ik heb een historische analogie gemaakt, met de Habsburgse stad Lemberg. Op een gegeven moment wilden ze die vergelijking er zelfs uit hebben. Ik heb gezegd: dan zoeken jullie maar een lolbroek.

Waarom hebben ze jou gevraagd?
Geen idee. Ik vroeg meteen: ‘Wie heeft er afgezegd?’. Maar ze verzekerden me dat er niemand had afgezegd. Je hebt een aantal auteurs met een zekere bekendheid, die gelezen worden. Op een gegeven moment ben je gewoon aan de beurt. Zo prozaïsch is het. Ik weet helemaal niet of dat zo is, maar dat denk ik. Kijk, je moet je overal lijstjes voorstellen met namen. Dan zegt iemand: ‘Ja, die! En nu die’. En iemand anders: ‘Nee, niet die, want die is stom, dus laten we die nemen’. Ik denk dat het zo een beetje gaat.

Was je vereerd?
Nee. Ik zag die aankondigingfilmpjes op tv, om kijkers te lokken, weet je wel. Die spraken me niet direct aan. Ik heb ook nog nooit naar Het Groot Dictee gekeken. Misschien om mezelf niet op de proef te stellen, hoor. Ik vind het fijn om te denken dat ik wel kan spellen. Maar ik vond het wel een te gekke opdracht. Ik realiseerde me dat ik waarschijnlijk nooit meer een groter publiek zal hebben dan op die avond, dat woordelijk meeschrijft met wat ik heb bedacht.

Vind je correcte spelling belangrijk?
Het is voor mij niet de essentie van schrijven. Het is wel handig om een beetje te kunnen spellen, zodat je niet wordt uitgelachen op de redacties waar je je stukjes naar stuurt. En ik ken tamelijk veel mensen die niet kunnen spellen, maar heel goed kunnen schrijven. Laten we zeggen, toch wel een handvol. Maar spelling interesseert mij niet wezenlijk, nee. Grammatica ook niet. Als je mij vraagt wat een bijvoeglijk naamwoord is, dan … uuh, zie je, daar ga ik al.

Wat is dan wel de essentie van schrijven?
Dat is een veel te grote vraag voor deze gelegenheid! Schrijven is alles. Schrijven is de cultuur. Het geschrevene is de cultuur. Naast wat archeologische artefacten is dat wat we hebben overgehouden van het verleden. Het hele archief van de mensheid staat op papier. Er is geen andere informatiedrager of organisatievorm die zoveel belang heeft.

En jij wil als schrijver graag iets aan dat archief bijdragen?
Misschien dat het op de achtergrond meespeelde toen ik met schrijven begon… Nee, toch niet; ik wilde mezelf gewoon uitdrukken op papier. Dat begon traag en vervelend, door mijn leven op papier te vermenigvuldigen, dus het strikt autobiografische dagboekschrijven. Van daaruit is de behoefte gegroeid om meer tot uitdrukking te brengen dan alleen het eigen levensverhaal. Daar ben ik op een gegeven moment mijn belangstelling voor verloren. Maar als je jong bent, dan heb je alleen je eigen leven om over te schrijven. Het heeft ook een hele tijd geduurd voordat ik mezelf kon wegschrijven.

Speel je zelf nu geen rol meer in je verhalen?
Jawel, maar in een versleutelde, bedekte vorm. Ik doe er niet meer toe. Maar ik gebruik nog steeds alles van mezelf. Wat dat betreft leef ik heel economisch. Niet omdat ik mezelf zo belangrijk vind, maar omdat er op die manier iets meer tot uiting komt, namelijk het leven. Dat zijn misschien grote woorden. Maar het is natuurlijk mooi om aan dat archief van de mensheid een paar splinters, of een paar kleurige insteekkaarten bij te dragen.

Splinters, insteekkaarten?
Dat was het zoeken naar een beeld. Als ik dit zou schrijven, dan zouden het eerst ‘splinters’ zijn, maar dat ligt zo voor de hand. Het is een gemeenplaats, een echte vijand van de schrijver. Ik zou ‘splinters’ dan dus laten vervallen en vervangen door ‘insteekkaarten’. Maar omdat jij mij interviewt, laat je ‘splinters’ natuurlijk staan…

Absoluut.
Ik vind wel dat je als schrijver moet uitkijken om altijd alles anders te willen zeggen. Dat kan vervelend worden. Maar ik heb aan heel veel dingen een hekel. Van die zinnetjes die net zo zijn als een veel door toeristen betreden plaats in Zuid-Amerika, waarvan in de boekjes staat dat die off the beaten track is. Dingen als ‘het feit dat’, of ‘in het licht van’, verschrikkelijk. Dat zijn van die zinsdelen die er zomaar staan, en die mij in hun verpletterende gewoonheid na een tijd beginnen te irriteren. Of ‘iemand ziet iets in zijn ooghoek’. Ook zoiets. Dat kan me ge-wel-dig storen.

Waarom?
Iemand ziet gewoon iets en kijkt daar vervolgens even wat beter naar. Het is zo’n zinnetje dat er sneller staat dan dat het is gecontroleerd. Het gewicht van duizend keer eerder gebruik heeft het leven er uitgedrukt.

En erger je niet stiekem ook aan spelfouten, ook al interesseert spelling je niet zo?
Het valt mij wel op hoeveel spelfouten er in de krant staan, vooral als ik net uit het buitenland terugben. Maar dat betekent dat er eindredacteuren zitten die hun werk niet goed doen. Het moderne, frivole taalgebruik dat de kranten is binnengeslopen, dat stoort mij meer. Dan lees ik: de ondernemer is superenthousiast over zijn nieuwe product. Als er had gestaan dat de ondernemer enthousiast was, had ik het ook wel geloofd.


Een van de eerste versies van het dictee, inclusief de spelfouten

Koleire

De tijden zijn in zoverre interessant dat ze kakofonisch zijn; je moet je oren dichtstoppen met peterselie tegen het luidkeelse gebla-bla van de muezzins van de eeuwige vergelding in het ene oor en dat van de Filistijnen van het geperoxideerde ressentiment in het andere.

Geüpgradede Hoekse en Kabeljauwse twisten, de shoarmabakker versus de aardappeleter, beide met vuvuzela’s bewapend; hun O2-arme hersentjes verkleinen je wereld en brengen haar binnen de afrastering van hun woestijngod of hun karikaturale weergave van joods-christelijke axioma’s en verlichtingsidealen.

Die boeroepers nemen het licht juist weg met hun stijlmiddelen van de provocatie, de daarbij behorende inflatoire hyperbolen; van niets zijn ze zo in de ban als van het paroxisme van de mimetische radicalisering, terwijl de man in het midden, de verdediger van de orde, mijmert over een vreedzame stadssamenleving als bijvoorbeeld het Oost-Galicische Lemberg eens was.

Een multinationaal en multilinguïstisch Habsburgs Babylon, een co-existentie van Asjkenazische Joden, Roethenen, Polen, Duitsers, Armeniërs – door- en doortolerant uit noodzaak en goede wil, laissez-faire opgetuigd met een civilisatorische missie en een architectonisch mozaïek van gotiek, neoclassicisme en art deco.

Nochtans werden de tijden ook toentertijd interessant en viel de stad achtereenvolgens toe aan het gerestaureerde Polen, Nazi-Duitsland en de Sovjet Unie – haar namen veranderden re-iteratief, de Polen en Armeniërs waren verdreven en de Joden uitgeroeid.

Hun huizen werden nu bewoond door Oekraïeners; enigszins beduusd namen zij die verrukkelijke, lege stad in. Lemberg werd het faillissement van de vroeg-twintigste-eeuwse multiculturaliteit, alleen haar begraafplaatsen spreken nog in vele talen.

Wie zullen straks de halflege flatwijken van Amsterdam, Culemborg dan wel Gouda innemen als haar bewoners zijn verjaagd door de dompteurs van de thymotische woede, wier dromen de nachtmerries van de eerste-, tweede- en derdegeneratieallochtonen zijn?

Opzichtig negeren zij die kwintessentiële wet van consciëntieus bestuur die in de Tao Te Tsjing wordt gepostuleerd: regeer de staat zoals je een klein visje bakt (behoedzaam).

 

Het uiteindelijke dictee

Kakofonie

De tijden zijn in zoverre interessant dat ze kakofonisch zijn; je moet bijwijlen je oren dichtstoppen tegen het tenhemelschreiende geblabla van de muezzins van de eeuwige vergelding in het ene oor en dat van de filistijnen van het geperoxideerde ressentiment in het andere.

Geüpgradede Hoekse en Kabeljauwse twisten: de shoarmabakkers versus de aardappeleters, allen met vuvuzela’s bewapend; hun zuurstofarme hersentjes verkleinen je wereld en brengen haar binnen de afrastering van hun woestijngod of hun karikaturale weergave van joods-christelijke axioma’s en verlichtingsidealen.

Die boeroepers nemen het licht juist weg met hun stijlmiddelen van de provocatie en de daarbij behorende inflatoire hyperbolen, terwijl de man in het midden, de verdediger van de orde, mijmert over een vreedzame stadssamenleving zoals bijvoorbeeld het Oost-Galicische Lemberg eens was.

Lemberg, dat multinationale en multilinguïstische Habsburgse babylon, die co-existentie van Asjkenazim, Roethenen, Polen, Duitsers, Armeniërs – door en door tolerant uit noodzaak en goede wil, laisser faire opgetuigd met een civilisatorische missie en een architectonisch mozaïek van gotiek, neoclassicisme en art deco.

Nochtans werden de tijden ook toentertijd interessant en viel de stad achtereenvolgens toe aan het gerestaureerde Polen, nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie – haar namen waren Lemberg, Lwów en Lviv, de Polen en Armeniërs waren verdreven en de Joden uitgeroeid.

Hun huizen werden nu bewoond door Oekraïners; enigszins beduusd namen zij die verrukkelijke, lege stad in. Lemberg werd het failliet van de vroegtwintigste-eeuwse multiculturaliteit, alleen zijn begraafplaatsen spreken nog in vele talen.

Wie zullen straks de halflege flatwijken van Amsterdam, Culemborg dan wel Gouda innemen als hun bewoners zijn verjaagd door de dompteurs van de thymotische woede, wier dromen de nachtmerries van de eerste-, tweede- en derdegeneratieallochtonen zijn?

Opzichtig negeren zij die wet van consciëntieus bestuur die door het taoïsme wordt gepostuleerd: regeer de staat zoals je een klein visje bakt (behoedzaam).