Jan Renkema: de man achter de Schrijfwijzer

Verschenen in Over Taal, september 2010

Jan Renkema is hoogleraar Tekstkwaliteit aan de Universiteit Tilburg, auteur van de Schrijfwijzer (nu 450.000 exemplaren) en voorzitter van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN), die dit jaar 40 jaar bestaat. De wat oudere lezers kennen hem misschien nog als eindredacteur van Onze Taal. Dat was zijn eerste bijbaantje, van 1976 tot 1986, de periode waarin het blad uitgroeide van een klein ‘germanistenblaadje’ tot een volwaardig tijdschrift.

Renkema geeft met tegenzin interviews, want ‘journalisten doen steeds weer de zoveelste krasse uitspraak over taalverloedering’. Dus daar gaan we het nu eens niet over hebben. Wel over Nederlandssprekenden in het buitenland, inhoudsloze teksten en tekstbelasting.

 

Klinkt prestigieus, voorzitter van de IVN. Hoe word je dat?
Ik werkte in Sydney aan mijn nieuwste boek, en kreeg een mailtje uit Parijs van de vorige voorzitter: ‘We hebben jou nodig Jan. Jij hebt een goede positie in het veld en jij kent Den Haag.’ Je moet natuurlijk de subsidiekanalen kennen, en ik heb een goed netwerk en ben daar al bekend door de Schrijfwijzer. Maar belangrijker vond en vind ik dat de neerlandistiek in de Lage Landen wel wat impulsen kan gebruiken van de talrijke onderzoekers die elders in de wereld onze taal en cultuur onderzoeken.

Dus je was vereerd en stemde toe?
Ja, waarom werd mijn vader lid van het schoolbestuur? Ik wilde graag ook iets nuttigs doen voor de maatschappij. En, het was echt een uitdaging. De bureauorganisatie moest veranderen, de financiële situatie was niet gezond, de site moest worden vernieuwd, de communicatie tussen de afdelingen kon beter, en ga zo maar door. Ik vind het leuk om nieuwe dingen van de grond te tillen.

Zijn er zoveel buitenlanders die Nederlands studeren?
Mijn kinderen zeiden: ‘Zo’n klein taalgebied, wie heeft daar nou belangstelling voor?’ Nou, kijk maar eens op de website. Wereldwijd zijn er meer dan 20.000 studenten. Ik ben onlangs in Indonesië geweest voor de IVN. Daar zitten 60 docenten neerlandistiek. Dat komt door ons koloniale verleden. Je kunt daar geen rechten studeren zonder kennis te nemen van het Nederlands recht. In Hongarije is de neerlandistiek ook groot. In Debrecen staat zelfs een standbeeld van Admiraal de Ruijter.

Echt waar?
Typisch Nederlands om dat niet te willen geloven! Nederlanders weten helemaal niet hoe belangrijk de Lage Landen worden gevonden – in Vlaanderen weten ze dat trouwens beter. Admiraal de Ruijter heeft in zijn strijd tegen zeepiraten op de Middellandse Zee calvinistische Hongaarse predikanten gered van een wisse dood als galeislaaf. Vandaar dat standbeeld. Wij hebben een heel lange geschiedenis met dat land.

En hoe zit het met andere landen?
In Polen doen ze veel aan analyse van Nederlandse poëzie. En in Australië luisteren wekelijks duizenden Nederlanders een uur naar de Nederlandse radio. In Rusland schijnen trouwens cursisten Nederlands te spreken met een Vlaams accent. Die krijgen les van een Vlaamse docent.

De interesse in de Lage Landen is dus wijd verspreid, maar het lijkt toch om een betrekkelijk kleine groep belanghebbenden te gaan…
Ja, wat noem je klein? Ik vind het bedrag dat de overheid hiervoor over heeft klein. Omgerekend per student zijn dat twee pintjes op de Markt in Antwerpen of twee kopjes koffie in Amsterdam. Voor mij is het een kwestie van wellevendheid dat je belangstellenden gelegenheid geeft om zich te verdiepen in onze taal en cultuur. Duitsland heeft het Goethe Instituut, Frankrijk Maison Descartes. Maar voor de Lage Landen werken vrijwilligers samen in de IVN. Er zijn natuurlijk belangrijkere zaken, maar je moet niet vergeten dat het wel degelijk wat oplevert. Want ook voor het internationale bedrijfsleven is Nederland interessant. We zijn vergeleken met andere kleine landen een grote economie. We worden niet voor niets uitgenodigd voor vergaderingen van de G20. En als ING een bank wil openen in Polen, dan heeft ING een Pool nodig die ook met het hoofdkantoor kan communiceren.

En controleert de IVN de kwaliteit van de Nederlandse lessen die deze Pool krijgt?
We zijn een belangenvereniging. We staan er wel voor in, maar we hebben geen controlerende functie. De IVN organiseert wel jaarlijks cursussen, lezingen en culturele rondleidingen in Nederland en Vlaanderen. En er zijn regionale verenigingen waar je als docent lid van kunt worden en waar je als docent cursussen kunt volgen als je zelf niet helemaal zeker bent van je niveau of uitspraak.

Vertel eens, hoe ziet een dag van de voorzitter van de IVN eruit?
Nou, een dag is nu te veel. In de eerste jaren had ik die tijd wel nodig. Nu kom ik met een paar uur per week toe. Vorige week moest ik bijvoorbeeld artikelen beoordelen – we zijn met een boekenserie bezig. Daarvoor heb ik me beziggehouden met het nieuwe bureau, dat nu aan de Universiteit van Tilburg is gevestigd. Ik zie mezelf als een gangmaker-manager. Alle nieuwe initiatieven zo goed mogelijk stimuleren, dat is wat ik graag doe.

En af en toe een leuk reisje maken…
Ik zie het als werk. Liever wandel ik met mijn vrouw op de Orkney’s of langs de Elbe. Maar als het ‘toch moet’, maak ik gretig kennis met andere culturen. Indonesië bezocht ik op doorreis naar China.  Je kunt dan eens echt met mensen praten over hoe het gaat, wat er nodig is. Dat moet je toch aan den lijve ondervinden. En het was maar een ‘kleine omweg’ naar China, voor de promotie van mijn boek Introduction to Discourse Studies. Dat is daar onlangs uitgebracht. In het Engels hoor, alleen het voorwoord is in het Chinees. Het is een inleiding op een vakgebied dat nu ongeveer een halve eeuw bestaat, de tekstwetenschap.

Kun je kort uitleggen wat dat vakgebied inhoudt?
Tekstwetenschap onderzoekt de relatie tussen vorm en functie van verbale communicatie. Bijvoorbeeld de lijdende vorm en de functie ervan. Of de opbouw van een tekst in relatie tot de leesbaarheid, of het verschil in functie tussen de vormen ‘want’ en ‘omdat’. Of ook, waarom mensen zeggen ‘Ik bel je nog wel’, terwijl spreker en luisteraar beiden weten dat dat niet zal gebeuren.

Zouden die vorm en inhoud zich op een bepaalde manier tot elkaar moeten verhouden volgens jou?
Het boek beschrijft verschillende theorieën over de relatie tussen die twee. Maar het is wetenschappelijk gezien ook heel interessant om te kijken of de vorm ook past bij de bedoelde functie.

Dat is zeker niet altijd het geval.
Dat klopt. Je hoeft bij sommige teksten alleen de eerste en de laatste zin te lezen om te zien dat er niets in staat. Neem kamerstukken: vaak perfect geformuleerd. Maar wat voor functie vervullen ze? En wie leest die teksten eigenlijk, als ze al bedoeld zijn om te lezen? Maar niet alleen bij de overheid zie je dat er enorm veel teksten worden geproduceerd zonder veel aandacht voor de functie ervan. Daarom zou er een tekstbelasting moeten komen: ‘Hoeveel pagina’s denkt u te gaan schrijven meneer de ambtenaar?’ ‘Dat kost uw departement dan zoveel!’

Dat zal ze leren, daar in Den Haag. Maar is dat realistisch?
Dat weet ik niet. Maar ik weet wel dat er iets moet veranderen. Er wordt veel te veel tijd in teksten gestoken. Dat komt omdat ze vaak te vroeg geschreven worden, op het moment dat mensen hun gedachten nog niet op een rijtje hebben. En communicatie kan alleen verbeteren als je niet alleen naar de vorm kijkt.

Het is duidelijk: Jan Renkema is veel meer dan de man van de taalregeltjes. Waarom blijf je toch steeds lastiggevallen worden met vragen over taalverloedering?
Vaak hoor ik dat ik in de Schrijfwijzer zo coulant ben. ‘Volgens Renkema mag alles wel, hij keurt niets af’. Dat komt bijvoorbeeld doordat ik de naamwoordstijl en de lijdende vorm in sommige gevallen verdedig en doordat ik de spelling wat speling wil geven. Toch vind ik een tekst slechts zelden goed, als het gaat om de inhoud in relatie tot de structuur. Maar veel taalcritici zijn daar minder in geïnteresseerd. Ze pietlutten te veel over kleine dingetjes. Mag ik een tekst even met een huiskamer vergelijken? Daar kijken mensen vaak alleen naar de splintertjes op de plint, maar de vreselijke inrichting zien ze niet. En die gedachte krijg ik nooit zo goed voor het voetlicht. Hopelijk is dat nu een beetje gelukt.

Dat lijkt me wel.
Begrijp me niet verkeerd, ik vind ze ook heel irritant, die splintertjes op de plint. Ja echt, ik kan er van wakker liggen. Gisteren nog, toen moest ik het woord diaconie schrijven. Dat schrijf je dus met een c. Maar diaken schrijf je met een k. Dan denk ik, dat kan toch wel even geharmoniseerd worden. Dus het houdt me wel bezig. Maar als je je alleen maar richt op onjuist kommagebruik, verkeerde spaties of een hoofdletter te weinig, loop je het gevaar dat je de vlieg uit de wijn zift, maar de kameel doorslikt. Een oud Bijbels spreekwoord is dat.

Je maakt veel gebruik van spreekwoorden en metaforen als je praat.
Is dat zo? Daar heb ik nooit zo bij stil gestaan. Maar je zou wel eens gelijk kunnen hebben, het past wel bij mij. Je kunt abstracte dingen zo beter tot de verbeelding laten spreken. Dan kunnen mensen beter onthouden wat je zegt. En nu maar hopen dat de vorm bij de bedoelde functie past.