Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde

Maar toch ook weer niet

Verschenen in Over Taal, januari 2010

Rint Sybesma (49) spreekt vloeiend Chinees, en werd in juni 2009 benoemd tot hoogleraar Chinese Taalkunde aan de Universiteit Leiden. Onlangs verscheen van zijn hand het boekje Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde. Reden genoeg dus om de heer Sybesma eens aan de tand te voelen.

Je hoeft geen taalkundige te zijn om te zien dat het Chinees en het Nederlands helemaal niet hetzelfde zijn. De tonen alleen al: het is niet voor niets dat sprekers van klemtoontalen, zoals het Nederlands, denken dat het Chinees – een toontaal – de moeilijkste taal ter wereld is om te leren.

Aan de andere kant kent het Chinees geen werkwoordsvervoegingen, geen lidwoorden, en geen meervoud. En een zin als ‘Sybesma meneer, ik kennen’ vinden de Chinezen heel gewoon. Makkelijker kan bijna niet. Bovendien vertonen het Chinees en het Nederlands naast de grote verschillen ook veel overeenkomsten: Chinezen zijn dol op eindpartikels om hun zinnen kleur te geven. Net als wij, hoor. Ook verdubbelingen zijn de Chinees niet vreemd. Die zegt dan misschien geen druk-druk-druk als hij het heel erg druk heeft, maar wel blij-blij als hij heel erg blij is.

Maar wordt het met deze wetenschap nu gemakkelijker om Chinees te leren? Ja, zegt Sybesma. Vrijwel alle lesboeken Chinees die op de universiteit worden gebruikt, zijn in het Engels geschreven. Ook de voertaal tijdens colleges is, behalve Chinees, vaak Engels. En dat is niet alleen omslachtig voor Nederlandstaligen die Chinees willen leren; het is taalkundig gezien veel handiger om het Chinees uit te leggen aan de hand van het Nederlands. En dat geldt voor de overeenkomsten, maar ook voor de verschillen tussen de twee talen. Nederlandstalige studenten en docenten Chinees kunnen met het boekje van Sybesma dus hun voordeel doen.

Sybesma liep al vijftien jaar met dit boekje in zijn hoofd; hij vond alleen nooit de tijd om het te schrijven. Maar vorig jaar – net voor de Olympische Spelen in China – nam hij contact op met het Nederlandse dagblad Trouw: of ze het leuk vonden om een serie te plaatsen over de Chinese taal, als voorbereiding op de Spelen. Dat vonden ze leuk. Dus schreef Sybesma zeven stukjes voor Trouw. Daarna nam Prisma contact met hem op: of hij hier een boekje van wilde maken. Toen zag Sybesma zijn kans schoon.

Maar meneer Sybesma, waarom Chinees?
Ik wilde eigenlijk Taalkunde studeren, maar dat kon in Nederland destijds alleen als zogenaamde kopstudie: je moest eerst je kandidaats hebben in een ander vak, bij voorkeur een taal. Het leek mij toen wel nuttig om dan een taal te kiezen die compleet anders was dan de talen die ik op school had geleerd. Zo kwam ik op het Chinees. Maar het had net zo goed Japans of Koreaans kunnen zijn.

U had geen specifieke interesse voor China?
Nee, helemaal niet. Als ik stukjes in de krant zag over China, dan dwong ik mezelf om die te lezen. Zo van: want hier ben ik nu in geïnteresseerd.

Nu hoeft dat niet meer onder dwang, mag ik hopen.
Ik was al snel verkocht. Tijdens de studie krijg je niet alleen vakken over de taal, maar ook geschiedenis, cultuurgeschiedenis, en literatuur. Je leert hoe die mensen denken, hoe zij vinden dat je een land moet inrichten en hoe ze met elkaar omgaan. Dat opent je werkelijk de ogen. Alles is zo anders dan bij ons. Fascinerend. Nadat ik drie jaar Chinees gestudeerd had, heb ik twee jaar in China gewoond, wat de fascinatie alleen maar heeft versterkt.

Over op de taal: hoe zou u het Chinees typeren?
Je zou kunnen zeggen dat het Chinees een taal is zonder veel fratsen, in tegenstelling tot het Nederlands. Het Chinees kent geen lidwoorden, geen meervoud, geen verschil tussen mannelijk en vrouwelijk, en geen werkwoordsvervoegingen.

Het Chinees is dus vrij eenvoudig te leren?
Grammaticaal gezien wel. Maar er zijn drie dingen die het Chinees moeilijk maken voor ons. In de eerste plaats zijn dat de tonen. Daar schrikken studenten ook altijd van in het begin. ‘Dat leer ik nooit’ zeggen ze dan. Maar na een maand hebben ze ze al wel zo’n beetje onder de knie, en na een paar maanden zijn ze er al aan gewend. Het tweede wat lastig is, is dat je bij het leren van woordjes geen referentiekader hebt. In het Frans of Engels herken je altijd wel woorden uit andere talen, waardoor je met associatie al snel veel woorden kunt leren: bij het Chinees heb je dat niet. En het derde is het schrift: dat lijkt natuurlijk in geen enkel opzicht op dat van ons. Je moet er om de krant te kunnen lezen toch al gauw drie-, vierduizend leren. Dat is wel wat anders dan ons alfabet van maar 26 letters.

Waarom zoveel tekens?
Die tekens zijn geen losse klanken zoals onze letters, maar hele lettergrepen die ook nog eens opzichzelfstaand betekenisvol zijn. Dit leidt ertoe dat verschillende woorden, ook als ze hetzelfde klinken, anders worden geschreven. Net als bij onze woorden rauw – rouw en wij – wei. Alleen doen wij dat minder vaak: bank schrijven we altijd zo, ongeacht de betekenis. Maar in het Chinees bestaan bijvoorbeeld twintig woorden die klinken als jiā (met een hoge, gelijkblijvende toon) die je dus allemaal anders schrijft.

Maar het Chinees gebruikt tonen toch juist om woorden van elkaar te onderscheiden?
Dat klopt. De toon is in het Chinees een onlosmakelijk deel van het woord. Net als dat je bij ons een medeklinker van een woord niet zomaar kunt veranderen zonder een andere betekenis te krijgen (vergelijk bal – pal), kun je in het Chinees de toon niet zomaar veranderen. Dat geldt trouwens ook voor verschillende varianten van het Zuid- en Midden-Limburgs.

Ah, de eerste overeenkomst!
Ja, het Weerts, het Venloos en het Maasbrachts zijn toontalen. Alleen hebben deze talen slechts twee tonen: de stoottoon en de sleeptoon. Het Chinees kent er vier. De stoottoon van het Limburgs lijkt op de vierde toon van het Chinees: hij begint hoog en daalt. De sleeptoon lijkt wel een beetje op de Chinese derde toon. Die begint hoog, daalt even en gaat dan weer omhoog. Maar het Limburgs is naast een toontaal ook een klemtoontaal, net als het Nederlands. En het is op de beklemtoonde lettergreep waar een Limburger zijn sleep- of stoottoon realiseert.

De Chinese tonen

1. Hoog, gelijkblijvend: pī ‘om de schouders hangen’

2. Stijgend: pí ‘huid, vel’

3. Eerst dalend, dan stijgend: pǐ ‘plukken, afbreken’

4. Dalend: pì ‘scheet’

De Limburgse tonen

1. Stoot (vallend): bòe ‘bouwen’

2. Sleep (dip): bǒe ‘bouw’ (zelfstandig naamwoord)

1. Stoot: vrìe ‘vrijen, het hof maken’

2. Sleep: vrǐe ‘vrij, niet gebonden’

Uit: Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde

Limburgers zijn dus een soort Chinezen.
Of Chinezen zijn een soort Limburgers. Het is maar net hoe je het bekijkt.

Daar hebt u een punt.
Maar er zijn nog meer overeenkomsten, zoals het gebruik van maatwoorden om de hoeveelheid van iets aan te geven. In het Nederlands gebruiken we die alleen bij niet-telbare woorden als sla, graan, ijs, meubilair en vee. Je kunt tenslotte niet zeggen: drie sla, maar wel drie kroppen sla. In het Chinees gebruik je die maatwoorden ook, maar dan voor elk zelfstandig naamwoord. Dus ook voor mensen, kranten, fietsen en slangen. Je zegt dus niet drie slang maar drie [eenheid] slang. En voor die eenheden heb je dan weer allerlei woorden, of categorieën.

Vertel…
Chinese woorden zijn op basis van de vorm of functie van de dingen waar ze naar verwijzen in verschillende klassen ingedeeld: alle platte vierkante dingen bij elkaar, alle lange dunne slappe dingen bij elkaar, alle kleine ronde dingen, alle dingen die je met één hand kunt vastpakken, alle dingen waar je er gewoonlijk twee van hebt, en ga zo maar door…

Maar het Chinees is een taal zonder fratsen. Waarom dan al die woorden om dingen te categoriseren? Eén [lang dun slap ding] slang kan toch ook gewoon één slang zijn?
Het Chinees heeft weinig fratsen, maar het heeft ook zo zijn franje.

Mooi gezegd. Iets heel anders: u schrijft dat een Chinees kan zeggen dat hij rijst gegeten heeft, ook als hij helemaal geen rijst gegeten heeft. Kunt u dat uitleggen?
Dat is een puur grammaticale aangelegenheid: in het Nederlands en in het Chinees kun je het object weglaten in een zin. Het weggelaten object heeft in beide talen alleen een andere functie. In het Nederlands kun je iets weglaten omdat het er niet toe doet. Als iemand vraagt: “Wil je iets eten?”, dan kun je antwoorden: “Nee dank je, ik heb al gegeten”, en dan laat je het object weg, omdat het er niet toe doet. Maar in het Chinees kun je een object alleen weglaten als het eerder in het gesprek al genoemd is. Maar als een Chinees wil zeggen dat ie al gegeten heeft, zonder te zeggen wat omdat het er niet toe doet, dan moet hij een grammaticaal object aan de zin toevoegen.

Rijst.
Ja, want dat is daar ook tamelijk nietszeggend.

Dat toont het verschil tussen beide talen weer aan. Terug naar de overeenkomsten. De meest treffende?
Het gebruik van het perfectum. Je verwacht dat het Nederlands daarin meer op het Engels lijkt, maar dat is niet het geval. En dat is precies waar het misgaat in de lesboeken. Ik heb gisteren een boek gekocht, is in het Engels: I bought a book yesterday. Het Nederlands gebruikt dan dus de voltooide tijd en het Engels de verleden tijd. En het Chinees gebruikt daarvoor ook de voltooide tijd, net als het Nederlands. Weliswaar niet in de vorm van een werkwoordsvervoeging, want die kent het Chinees niet, maar met het woordje le. In een Nederlandstalig lesboek zou je gemakkelijk kunnen zeggen dat waar wij de voltooide tijd gebruiken je in het Chinees le gebruikt. In een Engelstalig lesboek moeten ze omstandig uitleggen dat je in de Chinese vertaling van I bought a book yesterday het woordje le hebt, maar dat je daarom niet moet denken dat le hetzelfde is als de verleden tijd. Erg verwarrend. Als je het direct vanuit het Nederlands uitlegt, snappen de studenten het meteen.

Wat gebruikt het Chinees dan voor de verleden tijd?
Niets, want die hebben ze niet.

Dat lijkt me onhandig.
Nee hoor. Die hele verleden tijd is juist onhandig. In elk geval is ie tamelijk overbodig, ook in het Nederlands. Neem een zin als Gisteren liep ik door de Kalverstraat. Het woord gisteren is al voldoende om aan te geven dat ik het over het verleden heb, dus ik kan daarna net zo goed loop ik zeggen, zoals de Chinezen doen. Het Nederlands kent trouwens ook een tijd waarin dat kan: het presens historicum.

Dus het Chinees is eigenlijk veel handiger dan het Nederlands?
Op het punt van de verleden tijd misschien wel, maar dat het Chinees op alle punten handiger is, zou ik niet willen zeggen.

Mooier dan misschien?
Ik vind het Chinees niet per se een mooie taal. Het Portugees vind ik bijvoorbeeld véél mooier.

 

Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde. Rint Sybesma. 127 pagina’s. Uitgeverij het Spectrum. ISBN 978 90 491 02807