Lijder of leider: hoort u het verschil?

Hans Bennis over spellingvoorschriften

Verschenen in Over Taal, september 2009

Het zal taalkundige Hans Bennis een zorg zijn, dat Groene Boekje. Spellingvoorschriften zijn volgens hem taalkundig gezien nogal oninteressant. Sterker nog: we hebben helemaal geen officiële spelling nodig om begrijpelijk te schrijven.

 

U verheugt zich niet op het Groot Dictee?
Nee, dat interesseert me niet. Ik begrijp niet dat intelligente mensen hieraan meedoen, laat staan dat ze er trots op zijn als ze weinig fouten maken. Wat mij betreft kunnen ze net zo goed meedoen met Lingo.

Oh?
Het heeft allemaal niets met natuurlijke taal te maken, maar met de regeltjes die men heeft verzonnen om taal op te schrijven. Ik vind het jammer dat mensen zoveel waarde hechten aan een correcte spelling. Om een of andere reden stellen mensen correct spellen gelijk aan goed zijn in taal. Maar goed zijn in taal staat voor mij eerder gelijk aan zonder horten of stoten je gedachten helder onder woorden kunnen brengen; iets wat ik zelden tegenkom. Of aan het in staat zijn om complexe zinnen te gebruiken en te begrijpen. Het zou goed zijn als ze daar meer aandacht aan zouden besteden op school, in plaats van te hameren op wel of geen tussen-n of tussenstreepje.

Dus voor uw kinderen geen Groen Boekje?
Jawel hoor. Ze weten hoe ik erover denk, maar ik vertel hun ook dat ze zich beter aan die regels kunnen houden, omdat andere mensen er wel belang aan hechten. Als een sollicitatiebrief vol staat met spelfouten, word je niet eens uitgenodigd op gesprek. Ook als je solliciteert naar een beroep waarin je niet of nauwelijks hoeft te schrijven.

En uw eigen spelling, hoe is het daarmee gesteld?
Mijn spelling is redelijk correct, alhoewel ik regelmatig woorden in de woordenlijst moet opzoeken en in mijn lopende schrift fouten maak in de werkwoordspelling. Daarnaast doe ik niet mee met de onzin van de tussen-n. Ik behoud me in publicaties het recht voor om ‘pannekoek’ te schrijven. Die tussen-n is een slecht besluit geweest van de laatste spellingcommissie. Ons schrift is gebaseerd op de manier waarop in het Standaardnederlands de taal wordt uitgesproken. Tot voor kort zei niemand “panneNkoek”, en terecht. We zien nu dat een fout spellingvoorschrift de taal beïnvloedt en dat mensen ten onrechte ook panneNkoek gaan zeggen.

Hebt u een Groen Boekje?
Ja. En zoals net opgemerkt, kijk ik er regelmatig in. Niet omdat ik het belangrijk vind, maar omdat andere mensen er een waardeoordeel over hebben. Ik heb geen behoefte om telkens discussies over spelling te moeten voeren, dus pas ik mij in grote lijnen aan.

Vanwaar deze desinteresse in spellingvoorschriften?
Taal is van nature voortdurend in ontwikkeling, het is een levend iets. Ik vind het veel interessanter om me bezig te houden met de dynamische eigenschappen van taal en me af te vragen hoe een taal zich ontwikkelt, dan met wat wel en niet mag in geschreven taal. De gesproken taal kan zich ontwikkelen omdat er geen taalvoorschriften zijn. Er is gelukkig geen baas van de spreektaal en dus hoeft er wat mij betreft ook niet één te zijn van de schrijftaal.

Hun hebben.
Interessant verschijnsel. Veel mensen ergeren zich eraan, omdat ze denken dat het fout is. Althans, ik denk dat dat de reden is dat men zich eraan stoort. Ik vind het juist leuk om uit te zoeken waar zo’n ontwikkeling vandaan komt. Het gaat hier om een afwijking van de standaardtaal die langzaam maar zeker terreinwinst boekt. Of het uiteindelijk ook deel gaat uitmaken van de standaardtaal is onduidelijk. Op het moment dat de nieuwslezers in Hilversum en Brussel “hun hebben” gaan zeggen, weten we dat deze verandering de standaardtaal heeft gehaald.

Waar komt een dergelijke verandering vandaan, denkt u?
Het Nederlandse naamvalssysteem is nutteloos geworden, en het verschil tussen ‘de’ en ‘den’ is dan ook al lang uit de standaardspreektaal verdwenen. Bij de persoonlijke voornaamwoorden houdt het onderscheid tussen nominatief en accusatief/datief stand zonder dat het een evidente grammaticale rol heeft. Het is dus een enigszins overbodig restant uit het verleden. Bij de ontwikkeling van de taal verdwijnen dit soort eigenschappen vaak. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de vervoeging van het werkwoord. Vroeger zei men: ik kan, jij kunt, hij kan. Inmiddels is jij kan volstrekt ingeburgerd en behoort het tot de standaardtaal. Het werkwoord hebben is aan een zelfde ontwikkeling bezig: ik heb, jij heb, hij heb. Maar of hij heb het inderdaad gaat halen, is nog maar de vraag. Je zou met recht hij heb een verbetering van de taal kunnen noemen, maar ik heb de indruk dat veel mensen liever spreken van verloedering.

Geen voorschriften, maar wel richtlijnen voor verbetering dus?
Richtlijnen voor taal kunnen wel degelijk nuttig zijn. Een voorwaarde is alleen dat ze functioneel zijn, net als bij commerciële producten. Hiervan verwachten we dat ze efficiënt en effectief zijn. Zijn ze dat niet, dan zullen consumenten ze niet kopen. Als een autofabrikant een auto gemaakt heeft en achteraf blijkt dat alle gebruikers van die auto steeds de ruitenwisser en de richtingaanwijzer door elkaar halen, dan past hij dat toch aan bij de volgende auto? Ik begrijp niet waarom we dat principe niet ook op taal kunnen toepassen.

Welke richtlijn voor taal vindt u dan nuttig?
Voor de schrijftaal is het nuttig dat we afspreken hoe we de relatie tussen gesproken taal en geschreven taal leggen. Bijvoorbeeld dat we de klank /oo/ schrijven als ‘oo’, of wat mij betreft als ‘@’ of ‘*’ , zolang het maar duidelijk is hoe de relatie in de standaardtaal wordt gelegd.

En het Groene Boekje legt die relatie niet en houdt daarom geen rekening met de consument?
Nee. Het is niet voor niets dat iedereen zo’n moeite heeft met het toepassen van die regels. Dat laat volgens mij zien dat ze niet deugen. Van mij mogen ze de officiële spelling wel afschaffen.

Dan ontstaat er vast chaos.
Allicht, maar die lost na enige tijd vanzelf op. De bedoeling van taal is tenslotte dat andere mensen je begrijpen. Als je dat doel niet bereikt, ga je vanzelf naar een manier zoeken waarop dat wel lukt. Neem bijvoorbeeld mensen die een dialect spreken. Die zullen dit alleen maar doen als ze weten dat ze verstaanbaar zijn voor anderen. Iemand uit de Achterhoek zal zijn dialect proberen opzij te zetten als hij met iemand uit Noord-Holland in gesprek is.

Dan heeft u het over gesproken taal.
Ja, maar dit principe gaat ook op voor geschreven taal. Daarvoor heb ik onderzoek gedaan naar het gebruik van afkortingen in contactadvertenties. << aantr. m. 50 jr. zkt. sl. bl. vr. >> Iedereen ziet direct wat daar staat. Dus heb ik allerlei kranten opgebeld en gezegd dat ik een contactadvertentie wilde plaatsen, maar dat ik wilde weten hoe ik de woorden moest afkorten. Mij werd steeds verteld dat ze dat niet wisten. Ik mocht het zelf weten, omdat er geen regels voor zijn. En het leuke is dat iedereen woorden op vrijwel dezelfde manier blijkt af te korten: tot aan het einde van een onset, oftewel het deel van een lettergreep voor de klinker. De reden is dat je aan de ene kant zo kort mogelijk wilt zijn in verband met de advertentiekosten, terwijl je aan de andere kant wilt dat iedereen het begrijpt. Dat leidt tot anarchistische convergentie. Voor sms-taal geldt trouwens precies hetzelfde: mensen hebben ook daar geheel op eigen kracht een spelling ontwikkeld.

Dat heeft u ook onderzocht?
Ja, met een groep studenten hebben we onderzocht welke principes gehanteerd worden bij sms-taal en msn-taal. Hoewel daar veel meer afkortprincipes worden gehanteerd dan bij contactadvertenties, is het duidelijk dat er regels tot stand komen om de gehanteerde schrijfwijze begrijpelijk te maken voor de lezer. Een veel gebruikte uitdrukking als “CU” laat bijvoorbeeld zien dat de principes ‘spreek letters uit’ en ‘gebruik Engels’ een rol spelen in dit soort taalspelletjes.

En gewone schrijftaal, hoe gaat die eruitzien zonder officiële spelling?
De Vereniging voor Wetenschappelijke Spelling deed een voorstel [zie kader]. Dit heeft veel weg van een fonetische spelling. Alle letters die voor de uitspraak van een woord niet per se nodig zijn, zullen worden weggelaten of vervangen worden door de letter die overeenkomt met de uitspraak: alle c’s worden dus k’s als ze worden uitgesproken als een k. De ch wordt sj als de ch-klank zo wordt uitgesproken, en woorden die op een b eindigden, eindigen voortaan op een p. En je kunt geen d/t-fouten meer maken, want als je een t hoort, schrijf je die ook. De schrijftaal zou zich in deze richting kunnen ontwikkelen.

Je schrijft zoals je het uitspreekt. Handig.
Zeker. Maar ik ben ook tegen het voorstel van de Vereniging voor Wetenschappelijke Spelling, want ook die vereniging wil de spelling vastleggen. Maar als de officiële spelling echt zou verdwijnen, dan zal er denk ik nog meer veranderen, zoals het onderscheid tussen de v en de f, en dat tussen de z en de s aan het begin van woorden. Het verschil in uitspraak van deze letters is in het Nederlandse Standaardnederlands nu soms al bijna te verwaarlozen aan het begin van een woord, ook omdat het voor de betekenis van Nederlanders woorden vrijwel nooit van belang is. En als het al van belang is, dan valt uit de context gemakkelijk op te maken wat bedoeld wordt. Net als bij de korte ei en de lange ij. Dat verschil is in onze huidige taal zinloos. Heb je ooit iemand horen zeggen: ik ben de leider van deze groep, maar dan wel met een korte ei?

Nee.
Dat toont precies aan waarom we de huidige spellingvoorschriften niet nodig hebben. Je kunt het verschil tussen vind en vindt ook niet horen, dus ik zie niet in waarom we dit verschil in schrijftaal wel hanteren. We willen allemaal graag dat onze kinderen de Nederlandse taal goed leren beheersen en dat buitenlanders die in ons land wonen na verloop van tijd correct Nederlands kunnen schrijven. Met de huidige spellingsregels wordt dat mensen onnodig moeilijk gemaakt.

Gaan we het ooit meemaken, het Nederlands zonder officiële spelling?
Ik denk het niet. Ik ben vooralsnog de enige taalkundige die vindt dat we zonder kunnen; niemand is het met me eens.

Waarom niet?
Men vindt dat veel te ver gaan. Bovendien is iedere spellingverandering een aantasting van het reeds aangeleerde spellingsgebruik. Het zou mij zelf veel moeite kosten niet langer verschil te maken tussen ei en ij of tussen ou en au in de schrijftaal, ook al weet ik dat deze onderscheidingen nutteloos zijn, en dat ze het kinderen en buitenlanders moeilijk maken om onze schrijftaal te leren. Maar de volwassen speller is conservatief: het moet zo omdat we het zo geleerd hebben. Omdat de mensen die reeds kunnen spellen, bepalen hoe er gespeld moet worden, heeft het praktisch gezien geen zin om hierover in discussie te gaan. En dat doe ik ook niet meer.

Hans Bennis (58) is directeur van het Meertens Instituut (KNAW) en bijzonder hoogleraar Taalvariatie aan de Universiteit van Amsterdam.

 

De nieuwe spelling volgens de Vereniging voor Wetenschappelijke Spelling

n Piknik

’s Ochtents lade ik gau m’n hont, gevreest om z’n ruwheit en z’n wreetheit, in de taksie. ’n Bort met een rauwe koeierip en ertesoep stond naast ‘m. Daar wort ie vrolijk van. De sjofeur niet. In de dorpstraat hat ie z’n eten reets op. Op de hei schreeuwde ie elk ogenblik als een leeuw in aksie. Voor ambtenaren in otoos was ie op z’n qui vive. Voor de lunsj hat ik tee, joggert en sjokolademoes in ’n etwie meegebracht. Bizonder tipies was die bessetaart met sitroen. ’n Jongen met een meisjestem wilde mee-eten. Ik gaf ‘m ’n vanië-biskwie van drie sent kado. De grote van z’n honger was klein. M’n toorn was groot toen ie slechts sirka de helft opat. Tegen drieeen was ’t gebeurt. Tuis ging ik naar het twalet en onder de doesj. ’T was een mooie koninginnedag geweest. Morgen weer voor terapie en analize naar de psichiater in ’t gekkehuis.

Uit: De Groene Spelling. Samengesteld en ingeleid door Hans Bennis, Anneke Neijt en Ariane van Santen (Bert Bakker, 1991).